Anneke Kiers (57) en Rein van Duijn (36) werken als forensisch milieuonderzoeker (fmo’er) bij het Pieter Baan Centrum (PBC). Ze vertellen over hun vak en waarom het werk vaak zo’n complexe, maar boeiende puzzel is.
Beeld: © NIFP
Anneke en Rein
De levensloop in kaart
Een fmo’er brengt de levensloop en (familie)geschiedenis van een verdachte – binnen het PBC ‘observandus’ genoemd, in kaart. Dit gebeurt op basis van gesprekken met de observandus en referenten, maar ook op basis van informatie van onderwijsinstellingen, werkgevers en hulpverleningsinstanties. Anneke en Rein: “Vanaf de geboorte tot aan de opname in het PBC breng je in kaart in welk gezin iemand opgroeide, wat de invloed was van de omgeving, relaties en cultuur, en hoe iemand zich ontwikkelde. Dat vraagt brede kennis, van verschillende culturen, religies, lokale gebruiken en meer. Het helpt als je gewerkt hebt in de ggz, de verslavingszorg, in een gevangenis of bij de reclassering. En je moet je bewust zijn van je eigen referentiekader en socialisatie. Je hebt dus enige levenservaring nodig om het vak van forensisch milieuonderzoeker goed te kunnen uitvoeren.”
Referenten
Rein werkte ruim zes jaar als reclasseringswerker advies & toezicht. “Die ervaring hielp mij enorm.” Een belangrijk onderdeel is het gesprek met referenten, waaronder familie, vrienden, (ex-)partners en werkgevers. Rein: “Het kan zijn dat de observandus niet wil dat wij een referent voor een gesprek benaderen, maar dat wij ervoor kiezen dit toch te doen. Dan is het belangrijk dat wij het standpunt van de observandus aan de referent melden. De referent kan dan zelf beslissen of hij wil meewerken. Wij moeten ons wel verantwoorden waarom wij voor het onderzoek, meer of minder belangrijke referenten niet konden hebben gesproken en schrijven dit in ons rapportonderdeel. De observandus krijgt van ons te horen met wie we praten, waarover en ook wat de referent heeft verteld. Hij mag daarop reageren. De conceptversie van de rapportage krijgt hij te lezen, indien nodig lezen we het voor, eventueel met een tolk. De opmerkingen en aanvullingen van de observandus worden daarna in het rapport vermeld.”
Beeld: © NIFP
Aanbellen bij een referent
Rapporteursopleiding
“Ja, ik haal veel voldoening uit mijn werk als fmo’er”, vertelt Rein. “Ik ben afgestudeerd criminoloog, maar de academische wereld was niet de weg voor mij. Ik wilde direct contact met mensen. Ik wilde echte verhalen van de verdachten, maar ook van hun referenten. Hier sta je zelf met de poten in de klei. Je verzamelt in korte tijd heel veel informatie. Uit gesprekken maar ook uit eventueel bestaande dossiers. Bijvoorbeeld of iemand al eens in aanraking kwam met politie of justitie en onder welke omstandigheden. Zo probeer je stukje voor stukje te achterhalen hoe het leven van de onderzochte eruitzag.” Toen Rein solliciteerde naar de functie fmo’er, realiseerde hij zich dat hij opnieuw in de schoolbanken moest. “Naast kennis over strafrecht, risicodiagnostiek en psychopathologie moest ik mijn expertise vergroten in rapporteren. Ook heb ik veel meegekeken met collega’s en volgde ik intervisiebijeenkomsten. Dat is intensief, maar heel waardevol.”
"Zo probeer je stukje voor stukje te achterhalen hoe het leven van de onderzochte eruitzag"
Een chronologisch verhaal
Vroeger als student had Anneke nooit gedacht dit werk ooit te gaan doen. “Het is best pittig, je moet stevig in je schoenen staan en elke vraag aan de observandus en de referenten durven te stellen. Dan gaat het bijvoorbeeld over vragen omtrent seksualiteit (misbruik) of geweld binnen een gezin of relatie.” Ook moet je voor dit vak de Nederlandse taal écht goed beheersen, en je moet houden van rapporteren. “Je moet de verkregen informatie zo min mogelijk subjectief beschrijven. Deze wordt chronologisch en geïntegreerd in het rapport weergegeven, dus in de volgorde waarin gebeurtenissen zich in iemands leven hebben voorgedaan. Uit de verkregen informatie wordt de chronologie niet altijd duidelijk. Je moet dus van puzzelen houden, zodat je de informatie in de juiste tijd plaatst. Daardoor kan bijvoorbeeld duidelijk worden dat de observandus in een bepaalde periode veel impactvolle gebeurtenissen meemaakte, of dat er een patroon van herhaling van gedrag is. Dat kan belangrijk zijn voor de diagnostiek. We kijken niet alleen naar wat er niet goed ging. Ook sterke kanten en beschermende factoren krijgen aandacht. Het is trouwens belangrijk dat de bron van de informatie altijd duidelijk wordt vermeld. En je moet er een goed leesbaar levensverhaal van maken.”
Samen maak je de rapportage
Het onderzoek in het PBC wordt uitgevoerd door een team met daarin een groepsleider, fmo’er, een psycholoog, psychiater, jurist en een procesbewakend psychiater of psycholoog. Er zijn een aantal besprekingen, waarbij iedereen de verkregen informatie met elkaar kan delen. Rein en Anneke: “We bezoeken een verdachte vaak al een week voorafgaand aan de opname in het PBC. Vaak is dat in de PI waar hij tot op dat moment verblijft. We beginnen dus iets eerder, maar ons rapport moet ook eerder klaar zijn. Uiterlijk in week vier van het onderzoek delen wij onze informatie en bespreken deze met het onderzoekend team. De psychiater en psycholoog kunnen voortborduren op deze informatie. Zo ontstaat er stap voor stap een pro Justitia-rapportage waar de rechter zich op kan baseren in voorbereiding op behandeling van de strafzaak.”
Beeld: © NIFP
Een afdeling in het Pieter Baan Centrum
Goed onderzoek opleveren
“Ik vind het interessant om te ontdekken waarom mensen doen wat ze doen en waar dat gedrag vandaan komt, vertelt Anneke. “Inmiddels ben ik na jarenlange ervaring in het werk aardig goed in het leggen van de puzzel. We gaan ver in het zoeken en controleren van informatie, maar er zijn grenzen. Het moet ethisch verantwoord blijven, en juist dat is iets waarover je in de opleiding hoort, maar wat je in de praktijk moet aanvoelen.” Ik houd altijd in mijn achterhoofd: hoe zou je zelf benaderd willen worden, wat als jij in de schoenen van de verdachte of de referent staat. Zou je dan ook zo handelen?” Rein vult aan: “Soms vertelt een moeder tijdens het gesprek alleen maar over de positieve kanten en gedragingen van haar zoon, terwijl hij een lang strafblad vol geweldzaken heeft. Daarmee probeert ze mogelijk – en begrijpelijk - hem in bescherming te nemen. Je poogt dan ook de minder positieve kant boven tafel te krijgen en slikt niet alles voor zoete koek. Het komt voor dat een referent een onsamenhangend verhaal vertelt vol onwaarschijnlijkheden of tegenstrijdigheden. Dan kun je besluiten om het gesprek kort te houden, maar de reden daarvan vermeld je ook in het rapport. Alle informatie die we verzamelen kan gebruikt worden om te komen tot hypotheses over de gezinsdynamiek en de wijze waarop de observandus, in relatie tot anderen, in het leven staat.” Anneke vertelt dat respectvol omgaan met alle betrokkenen belangrijk is. “Weet je, het ten laste gelegde is maar één deel van iemands leven. Voorop staat dat we goed onderzoek willen doen en daarvoor willen we precies dié informatie verzamelen die ertoe doet.”
“Ik vind het interessant om te ontdekken waarom mensen doen wat ze doen en waar dat gedrag vandaan komt"
Kwaliteit kost tijd
Het werk brengt verantwoordelijkheid met zich mee. “Er kan veel druk liggen op het verzamelen van informatie,” zegt Rein. Goede fmo’ers hebben geduld, kunnen luisteren, schakelen tussen denk- en spreekniveaus en kunnen zich makkelijk aanpassen. Bij voorkeur ga je naar mensen thuis, waar je veel ziet over iemands leefwereld. Zowel Anneke als Rein benadrukt het grote belang van zorgvuldigheid in het vak. “Vooral als je net begint, kost het veel tijd”, zegt Anneke. “Maar transparant zijn, eerlijk blijven en informatie correct weergeven – dat is waar het om draait.” Rein: “We willen een goed onderzoek opleveren, zodat de rechter zich kan baseren op een compleet beeld. Dat vraagt om vakmanschap en respect voor alle betrokkenen.”