Hoe brengen pro Justitia-rapporteurs de ontwikkeling van jongvolwassenen in kaart binnen het adolescentenstrafrecht?
In Nederland kunnen rechters jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar veroordelen onder het jeugdstrafrecht in plaats van het volwassenenstrafrecht. Dit wordt ook wel het adolescentenstrafrecht genoemd. Het idee hierachter is dat veel jongvolwassenen op deze leeftijd nog in ontwikkeling zijn. De keuze tussen beide strafrechtssystemen is belangrijk. Het jeugdstrafrecht richt zich vooral op begeleiding, ontwikkeling en gedragsverandering. Het volwassenenstrafrecht legt meer nadruk op straffen. De keuze die de rechter maakt heeft dus grote gevolgen voor zowel de jongvolwassene als de samenleving.
Pro Justitia-rapporteurs (forensisch psychologen en psychiaters) spelen een centrale rol in deze beslissingen. Zij kunnen worden gevraagd om de ontwikkelingsstatus van een jongvolwassene in kaart te brengen en de rechter te adviseren over de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Er zijn echter geen vaste richtlijnen voor hoe zij dit moeten doen. Daarom onderzochten wij welke ontwikkelingsfactoren rapporteurs in de praktijk meenemen, hoe zij deze beoordelen en waar nog ruimte is voor verbetering.
Beeld: © NIFP / NIFP
Voor dit onderzoek analyseerden wij 431 pro Justitia-rapportages: 346 uit 2014/2015, kort na de invoering van de wet, en 85 uit 2024. In elk rapport bekeken we in hoeverre twaalf ontwikkelingsfuncties werden meegenomen. Dit zijn functies waarvan uit onderzoek bekend is dat ze na het 18e jaar nog in ontwikkeling kunnen zijn en dat problemen in deze ontwikkeling samenhangen met crimineel gedrag. Voorbeelden zijn impulsbeheersing, emotieregulatie en empathie. Daarnaast keken we of rapporteurs de ontwikkeling beoordeelden als passend of niet passend bij de leeftijd.
Gemiddeld werden ongeveer negen van de twaalf functies per rapport besproken. Sommige functies, zoals emotieregulatie en impulsbeheersing, kwamen bijna altijd terug. Andere werden veel minder vaak meegenomen. Zo werd controle over sensatiezoekend gedrag in minder dan een derde van de rapporten besproken. Ook werd er zelden onderscheid gemaakt tussen cognitieve empathie (begrijpen wat iemand voelt) en affectieve empathie (kunnen meeleven met iemands gevoel).
Wanneer rapporteurs een oordeel gaven over de ontwikkeling, bleek dat de meeste jongvolwassenen achterstanden lieten zien op meerdere ontwikkelingsfuncties. Toch werd in minder dan de helft van de gevallen een jeugdsanctie geadviseerd. Dit laat zien dat het hebben van een ontwikkelingsachterstand niet de enige factor is in het advies.
Onze bevindingen leiden tot vier belangrijke punten. Ten eerste is een gestructureerde checklist nodig die alle relevante ontwikkelingsfuncties omvat en handvatten biedt voor de beoordeling daarvan. Ten tweede zouden rapporteurs niet alleen gedrag moeten beschrijven, maar ook expliciet moeten aangeven of bepaald gedrag past bij de leeftijd of niet. Dit helpt rechters om de betekenis beter te begrijpen. Ten derde lieten op sommige functies vrijwel alle jongvolwassenen in ons onderzoek achterstanden zien. Het inzetten van aanvullende tests, zoals neuropsychologisch onderzoek, kan helpen om kleinere verschillen tussen jongvolwassenen beter zichtbaar te maken. Ten vierde is, gezien het hoge aantal ontwikkelingsachterstanden, verder onderzoek nodig naar welke van deze jongvolwassenen het meest baat hebben bij een aanpak binnen het jeugdstrafrecht.
De ontwikkelingsstatus speelt al een belangrijke rol in forensische adviezen met grote gevolgen op de lange termijn. Daarom is het belangrijk dat deze beoordelingen zo gestructureerd, duidelijk en goed onderbouwd mogelijk worden uitgevoerd.
