Over de grenzen van de stoornis

Op vrijdag 1 december 2017 promoveerde Maarten Beukers, oud medewerker van het NIFP, aan de Erasmus Universiteit met het proefschrift ‘Over de grenzen van de stoornis’.

In dit proefschrift richt Maarten Beukers zich op de analyse van de betekenis en de relevantie van de psychische stoornis voor het Nederlandse strafrecht. Maarten Beukers is lange tijd bij het NIFP in dienst geweest als beleidsjurist. Hij is ondertussen bezig geweest met zijn proefschrift met een onderwerp dat zeer belangrijk is voor het werk van het NIFP en forensisch rapporteurs.

Samenvatting van het proefschrift

Het eerste doel van het onderzoek was na te gaan wat de inhoud is van het stoornisconcept in enerzijds het strafrecht en anderzijds de gedragswetenschappen en hoe die concepten zich tot elkaar verhouden. De vervolgvragen hebben betrekking op de relevantie van de stoornis voor het toerekeningsconcept en op de stoornis als gevaar voorspellende factor bij de toepassing van enkele strafrechtelijke maatregelen. Ook is de vraag gesteld hoe het stoornisbegrip van artikel 39 WvSr zich verhoudt tot de psychische toestanden zoals die bij de psychische overmacht en het noodweerexces een rol spelen.

In dit proefschrift worden de volgende vier hoofdconclusies getrokken.

Ten eerste is het strafrechtelijk stoornisbegrip ambigu. Juridisch blijkt de ‘gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens’ een open begrippenpaar, waar alle vormen van ‘psychische afwijkingen’ onder kunnen vallen. Feitelijk geven de adviserende deskundigen richting aan de uitleg van het stoornisbegrip. Het begrip ‘psychopathologie’, zoals waar mee gewerkt wordt binnen de gedragskunde (met name de psychiatrie), is daarbij het belangrijkste criterium.

Ten tweede biedt psychopathologie bij nadere beschouwing, als richtinggevende notie voor wat in het strafrecht onder stoornis wordt verstaan, nog aanzienlijke ruimte voor interpretatie. Een psychische stoornis is geen scherp afgebakend concept. In feite wordt het tegenwoordig ook geregeld opgevat als dimensioneel construct. De grens tussen ziek en gezond is niet altijd scherp vast te stellen. Een belangrijk criterium, namelijk of sprake is van lijden, is forensisch beperkt relevant.

Ten derde blijken de categoriaal gedefinieerde ziektebeelden (DSM) in het algemeen niet overtuigend verklarend noch voorspellend te zijn voor (delict)gedrag, waarbij voor middel gerelateerde stoornissen een uitzondering lijkt te moeten worden gemaakt. Delict gedrag lijkt, volgens hedendaagse inzichten beter begrepen te kunnen worden vanuit multifactoriële modellen. Deze bevatten bijvoorbeeld over dimensioneel geordende persoonlijkheidsprofielen, persoonlijkheidskenmerken en psychische functies.

Ten vierde wordt geconcludeerd dat die veronderstelling niet duidelijk ondersteund door de bevindingen uit forensisch onderzoek. Dit voor zover aan de strafrechtelijke maatregelen van de TBS, de PPZ en de PIJ (in het recht) de veronderstelling ten grondslag ligt dat de psychische stoornis de exclusieve voorspellende factor kan vormen voor het gevaarzettend gedrag.